Dorien den Otter

In april 2018 reist Dorien den Otter (24) met een studiegenootje af naar het afgelegen dorpje Mezovari in West-Oekraïne. Vanuit hun studie logopedie aan de Hanzehogeschool, gaan ze naar het opvangcentrum Nefelejcs. Een centrum voor gehandicapte jongeren. Vorig jaar had ze Kiev bezocht en de rijke kant van het land ervaren. Nu werd het een heel andere ervaring.

Mezovari ligt behoorlijk afgelegen! Hoe kwamen jullie daar terecht?
“Wij zijn gevlogen van Eindhoven naar Debrecen, de tweede grootste stad in Hongarije. Onze begeleider had gezegd dat daar een taxi op ons stond te wachten die ons naar Oekraïne zou brengen. We wisten niet hoe lang het duurde om op het centrum Nefelejcs te komen. Er zou een blauwe auto op ons staan te wachten maar dat bleek een groene. Hemelsbreed was het niet zo ver alleen de wegen zijn slecht en we moesten de grens over, een grote uitdaging. Er kwam een agent in de auto die overal ging kloppen om te kijken of er niet iets meegesmokkeld werd via dubbele lagen in bijvoorbeeld het plafond. Er cirkelden allemaal honden rondom de auto. Ja, de grens oversteken daar, kost veel tijd.”

Wat overviel je het meest die eerste uren?
“Vooral de wegen, het duurde for ever. We kwamen de hele tijd achter tractoren en zaten zelf ook in een heel oud autootje, met een man die je meeneemt en die geen Engels spreekt. In Hongarije waren de wegen nog goed geregeld. Zodra we de grens over waren, wat dus wel drie, vier uur duurde, was er geen verlichting langs de weg. Er zaten allemaal diepe gaten in de weg. We konden niet harder van vijf of tien kilometer per uur. Ik was erop voorbereid en had ook wel eerder armoede gezien in wijken in Zuid-Afrika en toch overviel het me wel heel erg. Ik had het zelf niet verwacht.”

Hoe werden jullie ontvangen op het centrum Nefelejcs?
“Het centrum is opgericht door een Nederlands stel en was voorheen een oud kerkje dat bijna in elkaar stortte. Margaretha is ergotherapeut en ze doet dit samen met haar man Stefan volledig vrijwillig. Ze liet ons zien waar we sliepen en dat viel heel erg mee. Ik had verwacht dat het veel erger was. Totdat ik onder de douche kwam, het water was vies. Heel roestig. Maar ja, wat wil je. Het enige geld dat ze vanuit het land zelf ontvangen, zijn giften van de kerk. De overheid heeft er geen potjes voor. Ze krijgen giften uit Nederland en Hongarije en daar doen ze prachtige dingen mee. Ze hebben dieren zodat de kinderen daarmee kennis kunnen maken. Er is een speeltuin, een grote keuken waar de oudere kinderen kunnen leren koken. Ze proberen een zo goed mogelijke omgeving te creëren voor deze gehandicapte kinderen, om zich toch te kunnen ontwikkelen.”

Waarom zijn Margaretha en Stefan dit begonnen?
“Ze hebben een heel groot hart en voelen de drang om in elk geval een paar jaar van hun leven te investeren in vrijwilligerswerk. Ze hebben zichzelf helemaal opzijgezet maar zijn niet van plan om daar voor altijd te blijven. Ze proberen een zo stabiel mogelijke basis neer te zetten en hebben mensen om zich heen verzameld die ze opleiden. Hun doel is dat ze het straks over kunnen dragen. Ze hebben nu zelf een drie maand oude baby en het leven met een baby’tje daar is best wel pittig.”

“Wie steekt er nu tijd en moeite in gehandicapten.”

Wie werken er allemaal op het centrum?
“Naast Margaretha en Stefan zijn er nu vijf medewerkers die op de groepen werken.”

Allemaal vrijwilligers?
“Nee, ze krijgen wel betaald vanuit die giften. Ze zijn niet geschoold en worden ter plekke opgeleid. In het dorp worden ze raar aangekeken dat ze dit werk doen want wie steekt er nu tijd en moeite in gehandicapten.”

Waar komt die houding vandaan denk je?
“Het is onwetendheid. Het is echt nog een taboe. Mensen komen er niet voor uit en schamen zich ervoor als hun kind een handicap heeft. Artsen raden mensen aan hun gehandicapte kind naar een weeshuis te brengen. Er is geen verdere zorg. Toen wij het ziekenhuis bezochten, lagen er zes kinderen op een speciale afdeling voor kinderen die te vondeling zijn gelegd. Soms liggen er meer dan 20 kinderen. Het merendeel heeft een handicap. Die hele afdeling wordt gerund door twee vrijwilligers, vijf dagen in de week. In het weekend en in de nachten is er geen begeleiding bij die baby’s.”

“Artsen raden mensen aan hun gehandicapte kind naar een weeshuis te brengen.”

Er kan van alles gebeuren.
“Twintig baby’s. Ze zijn te klein om met elkaar te spelen. Er wordt niet tegen ze gepraat, er wordt niet met ze geknuffeld. Ze leren geen contact maken, geen taal, geen bewegingen. ’s Nachts komt er niemand bij de kinderen. In het weekend loopt de schoonmaakster af en toe langs. Die legt een fles neer, een beetje tegen een kussen zodat het kind daaraan kan zuigen. Maar als het kussen of de fles wegvalt, krijgt het kind dus niets.”

Zijn ze daar achtergelaten?
“Ja, sommige moeders hebben wel hun bevalling gehad in het ziekenhuis en zijn daarna vertrokken zonder kind. Omdat ze geen geld hebben, en vaak ook als het kindje iets mankeert. In Oekraïne zijn 138.000 gehandicapte kinderen en 86.000 kinderen die zonder ouders leven. 64.000 kinderen daarvan hebben een handicap. Dus zo’n 80% van de kinderen die in een weeshuis zit, is gehandicapt. Die zijn daar echt gedumpt. Vlak voor wij aankwamen was er een kindje over de schutting gegooid en had hij zijn heupje uit de kom.”

Waarom wilde je daar naartoe?
“Ik was in de zomer van 2017 in Kiev geweest en de hele cultuur verbaasde me. Ik vond Kiev een hele mooie stad. Iedereen danste op straat. De mensen zijn kwetsbaar en puur, er zijn nog weinig invloeden van buitenaf. Ze moeten voor zichzelf opkomen, als volk. Ze kunnen niet teren op een regering of overheid. Als er in Nederland iets met mij gebeurt en er staat een politieagent in de buurt, dan is dat de man die ik vertrouw op dat moment. In Oekraïne kun je daar niet op rekenen. Het is allemaal zo corrupt. Wat wij zien als geschiedenis, is daar nog aan de hand. Vier jaar geleden was er nog een revolutie in Oekraïne. In de stad hoor je van alles over belastinggeld wat de president heeft gebruikt om een enorm resort van te bouwen. Daar weten ze in het dorpje waar ik was, niets vanaf. Ik vertelde het aan Margaretha en ze zei, vertel het maar niet aan de medewerkers.”

“Een van de kinderen zat zeven jaar opgesloten in een kamer.”

Je studeert logopedie. Waarom wilde je een project met gehandicapten doen?
“Ik vind de doelgroep heel puur. De gehandicapte kinderen zijn zo kwetsbaar maar ook zo liefdevol. Als ik een klein steentje kan bijdragen, doe ik dat graag. Ze zijn zo eerlijk, er zit geen voorbedachte rade. Ze zeggen wat ze op dat moment observeren en dat kan ik wel waarderen. Dat centrum is de enige kans voor deze kinderen. Stefan is vroeger eerst al die kinderen op gaan halen in de omgeving, elke ochtend heel vroeg van huis. In totaal gaan er nu 40 kinderen naar het centrum. Ze hebben allerlei verschillende aandoeningen. Lichamelijk, geestelijk of allebei. Ze hebben allemaal iets waardoor ze niet in het normale onderwijs terecht kunnen. Er zat 1 meisje in het centrum die alleen problemen had met haar benen en daardoor in een rolstoel zat. Verder was er niets met haar aan de hand maar voor zo’n meisje is geen plek in het normale onderwijs. Er is ook een groep met zwaardere problematiek. Daar zit een kindje dat zeven jaar alleen maar in zijn kamertje heeft gelegen. Doordat er niet met hem is gecommuniceerd, heeft hij zich nooit kunnen ontwikkelen op het gebied van taal en hij is helemaal vergroeid na zeven jaar lang in een bed te hebben gelegen. Bang voor alles en iedereen.”

Wat kon jij daar brengen?
“We waren er niet per se om direct contact te hebben met de kinderen maar voor scholing van de medewerkers. Ze werken daar vanuit het hart. Er zijn geen methodes beschikbaar, er is geen plan. Er wordt niets geregistreerd en ze hoeven zich aan niemand te verantwoorden. Het is vissen voor ze wat werkt voor welk kind. Ze hadden heel erg behoefte aan een instrument dat het communicatieniveau van een kind kan bepalen. Ze dachten het nu wel te kunnen peilen en zich daarop aan te passen maar waren daar niet zeker van. We hebben daar de NNST (Nederlandstalige Nonspeech Test) geïntroduceerd bij de medewerkers. Op die manier kunnen zij de non-verbale taal van een kind meten. We hebben helemaal uitgelegd hoe deze test werkt. Op die manier kunnen de medewerkers zien op welke vlakken ze goed gaan, waar ze achterblijven en hoe ze dit kunnen verbeteren.”

“Voor de medewerkers een bevestiging dat wat ze doen, de moeite waard is.”

Wat deed dat met de medewerkers?
“Dat was natuurlijk de vraag. We wisten vooraf niet hoe ze erop zouden reageren maar ze waren super blij. Ze gingen allemaal meeschrijven en we moesten de presentatie aan ze doorsturen. We hadden het deel van de test waar we mee gingen werken van tevoren vertaald en ze waren super enthousiast. Ze kunnen nu hun eigen handelen meten. Ze denken en hopen steeds dat ze het goed doen en daarvoor doen ze hun uiterste best maar ze weten niet wat werkt. Nu kunnen ze iedere paar maanden testen of er verbetering is. Voor de medewerkers is dat een bevestiging dat wat ze doen, de moeite waard is. Dat is heel belangrijk.
In Nederland wordt bij onze kinderen veel aandacht geschonken aan het presteren. Dat is daar allemaal veel minder. De medewerkers werken met zoveel geduld, zoveel liefde en aandacht. Ik ervaarde dat ze het sowieso goed deden. Ik vond mensen in Oost-Europa er altijd heel streng uit zien. Ik zei tegen Margaretha, het lijkt wel alsof je de vijf vrouwen met de liefste gezichten hebt uitgekozen om in het centrum te werken. Hopelijk kan de test nu bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de kinderen.”

Zijn er ook kinderen die weer uitstromen?
“Nee. Eigenlijk gooi je ze dan weer in het diepe. Ik denk niet dat ze mensen nog weer laten uitstromen. Het is niet zo dat het heel hard volstroomt op dit moment, gelukkig. Er zaten geen jongeren tussen met zo’n groei dat ze weer terug de maatschappij in konden. In elk geval niet in de Oekraïense maatschappij. Er zitten veel kinderen in het centrum die prima zouden kunnen werken in een concept als Brownies & Downies. Veel hebben ongeveer dat niveau, maar dat zit er dus in Oekraïne niet in voor deze jongeren.

“Ik mag wel wat dankbaarder zijn. Mijn leven zit vol met kansen.”

Met de tienergroep gingen we naar een bal, wat in de stad werd georganiseerd door een groep studenten van de universiteit. We kwamen aan in de stad, stapten uit en werden door iedereen minachtend aan gekeken. Het was heel moeilijk de universiteit goed in te komen door de vele trappen maar uiteindelijk zaten we met z’n allen aan een lange tafel te knutselen. De knutselwerkjes werden daarna verkocht en dat geld ging naar het centrum. De mensen die naar het bal kwamen, moesten entree betalen en ook dat geld werd gedoneerd. Het was een super lief initiatief. Totdat er op een gegeven moment een hele grote groep mensen binnenkwam, die gingen zitten en kijken hoe wij met de jongeren aan het knutselen waren. Na een kwartiertje gingen ze weer weg. Ik dacht echt, het is maar goed dat de kinderen niet allemaal door hebben wat er gebeurt.”

Wat merk je nu dat het met jou doet, een paar weken nadat je bent teruggekomen?
“Ik was sowieso erg blij dat ik weer terug was. Ik heb me daar helemaal veilig gevoeld maar ergens was het ook een opluchting om weer terug te kunnen. Het heeft me wel heel erg leren relativeren. De kleinste dingen. Ik stap op de fiets, want ik heb een fiets, de fiets werkt en er is een weg waar ik op kan fietsen. En toch, ik had het niet willen missen. Ondanks ik daar heus wel geklaagd heb. Het is iets wat ik meeneem voor de rest van mijn leven.”

Wat neem je er vooral uit mee?
“Waardering. Als je daar geboren wordt, gehandicapt of niet, is je lot eigenlijk al bepaald. Er is weinig geld, je hebt niets te kiezen. Ik mag wel wat dankbaarder zijn voor alles wat we hier hebben. Mijn leven zit vol met kansen en ik kan zelf keuzes maken. Dat is daar gewoon niet.”

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *