Esther Ruël Engelman

Esther Ruël Engelman (36) is leerkracht en rouw- en verliesbegeleider in en voor het onderwijs. Zelf groeide ze op met een masker voor haar gezicht en nog regelmatig komt de onzekerheid om de hoek kijken. Ze verloor op jonge leeftijd haar broertje van 3 aan epilepsie (toen ze zelf 6 was) en vader (53) aan polio en uiteindelijk kanker. “Wat ik mee heb gekregen van huis uit, als iemand jong overlijdt, is dat je geniet van de kleine dingen. Dat is wat wij in ons gezin ook doen. Ik ben nu zelf moeder en ben dichter bij mijzelf gekomen. Het is inmiddels diep geworteld. Het gaat niet om grote dingen of heel veel spullen, maar om samenzijn.”

Esther groeide op in een warm gezin, maar het verging haar niet altijd even makkelijk op school. “Als kind voelde ik me anders. Ik was serieuzer dan leeftijdsgenoten en wilde graag goed presteren. Tegelijkertijd dacht ik vaak, ik zou net als andere kinderen wel eens niet zo veel na willen denken. Ik had geen idee van de problemen van andere kinderen. Ik wist niet dat er meer kinderen waren die verlies hadden meegemaakt en miste, achteraf gezien, de verbondenheid. Omdat ik sociaal-emotioneel verder was, wilde mijn juf me in groep vijf een klas laten overslaan. Mijn ouders vonden dat geen goed idee, en is dat goed geweest. In groep zes kreeg ik een juf die me wat extra aandacht gaf. Ik voelde dat zij mijn verhaal begreep en erkende.”

“Ik stond er bij en keek.”

Fragment uit het zelf geschreven levensverhaal van Esther:

Alles veranderde op een zondag in januari. Ik ging nog even terug naar mijn bed om mijn knuffel te pakken; mijn poppie. Het viel me op dat Bastiaan nog hetzelfde lag als even daarvoor. Hij lag in het onderste bed van het stapelbed waarin wij samen sliepen; op zijn zij in een rustige ontspannen houding. Ik dacht nog: Hij zal toch niet… Met de knuffel in mijn armen liep ik terug naar mijn ouders en kroop bij hen in bed. Aan mijn moeder vertelde ik wat me was opgevallen. Ze haastte zich uit bed en ging kijken bij Bastiaan; ik hobbelde achter haar aan. Niet veel later klonk er een hartverscheurende schreeuw waarin de naam van mijn vader weerklonk. Ondanks het feit dat mijn vader slecht ter been was en het zodoende vaak even duurde voordat hij uit bed was, stond hij binnen een paar tellen aan mijn moeders zij. Ik stond erbij en keek. Ik voelde me enorm verdrietig. Bastiaan was dood. 

Haar eigen gouden traan ligt aan de basis van haar missie.“Het duurde jaren om inzicht te krijgen in mijn eigen gouden traan. Dat die traan bijzonder was, wist ik al als zesjarig meisje. Maar weten hoe ik zorg moest dragen voor mijn gouden traan, voor mijn rouw, was een lang proces. Op de middelbare school voelde ik me niet thuis. Ik werd gepest met mijn luie oog en vond mezelf heel erg lelijk. Toen ik wat ouder werd, ging ik dit compenseren met make-up en nieuwe kleding, maar ook dat was niet de oplossing. Ik had gelukkig veel steun vanuit huis en groeide op in een warm gezin. Ik haalde uiteindelijk mijn middelbare school diploma en ging al vroeg aan het werk om mijn eigen geld te verdienen. Ik was helemaal op mijn plek bij Ikea en had daar onwijs leuke collega’s die mij wel accepteerden. Mijn traan glinsterende regelmatig: mooie herinneringen, de muziek die ik speelde, een warm gezin waarin ik opgroeide, een fijne leerkracht. Maar natuurlijk was ik de glinstering ook vaak even kwijt. Dan voelde mijn gouden traan dof, soms zelfs als een belasting. Het verdriet, de onzekerheid, je anders voelen en angst, het zorgde voor moeilijke tijden.”

“Ik voelde vaak haast. Het kan zomaar voorbij zijn.”

Pas na het maken van een reis naar Indonesië, zag haar omgeving de ‘echte’ Esther uit het vliegtuig stappen. “Vier weken eigen beslissingen maken en nieuwe mensen ontmoeten. Het was puur ontspanning. En jezelf zijn, ondanks ik dat wel moeilijk vind, is dat wel iets wat ik daar nog steeds uit haal. Het is je kracht, jezelf te zijn zonder dat je je druk maakt over wat anderen daarvan vinden. Gedurende mijn leven snap ik steeds beter waar alle moeilijke gevoelens bij horen. Ik voelde op latere leeftijd vaak haast. Het kan zo maar voorbij zijn. Ik ben er een periode te veel mee bezig geweest en het sloeg door naar angst. Een voortdurende rekensom: Hoe lang heb ik nog? Door kennis over rouw die ik inmiddels heb opgedaan, ben ik mijn eigen gouden traan ook gaan begrijpen. Met terugwerkende kracht glinstert hij nu ook voortdurend in het verleden. Het is een levenslang proces”

Esther werkt inmiddels al jaren als leerkracht in het onderwijs en heeft zich verdiept in rouwverwerking bij kinderen.“Ik had altijd moeite om een commitment aan te gaan. Toen onverwacht zwanger raakte in het laatste jaar van mijn studie, kreeg ik die duw in mijn rug die ik nodig had om iets af te maken. Mijn vader ging in de ‘regelstand’ en heeft uiteindelijk nog een jaar opa kunnen zijn. Doordat zijn lichaam in slechte conditie was door de polio die hij in zijn jeugd had gehad, ging het met de kanker heel erg snel. Na mijn afstuderen en zijn overlijden, wist ik direct dat ik meer wilde doen. Aan de basis lag mijn persoonlijke ervaring. Mijn missie: handreiking geven voor glinsterende gouden tranen in het onderwijs! Zo onwijs belangrijk en heel erg mogelijk.”

“Pijn en verdriet verdwijnen niet met een SMART doelstelling.”

2019 wordt het jaar van Mijn Gouden Traan, aldus Esther. Hoe spannend ze het ook vindt om voor 1 ding te kiezen, ze gaat het commitment nu helemaal aan. 

“Ieder kind rouwt anders en met Mijn Gouden Traan bied ik ondersteuning aan kinderen en leerkrachten. Het is zo belangrijk dat deze kinderen gezien worden met hun ‘gouden traan’. Deze tranen geven niet alleen het verdriet weer maar ook de kracht van het kind. Mijn missie is om deze gouden tranen te laten glinsteren. Ik wil zorgen voor erkenning van het verdriet. We willen altijd maar doorgaan maar het verdriet mag gezien worden. Ik wil iets geven, wat ik zelf heb gemist. We willen in onze maatschappij altijd graag dingen oplossen, maar pijn en verdriet verdwijnen niet met een SMART doelstelling. Ik help leerkrachten de steun te bieden aan kinderen en maak het bespreekbaar. Leren over de dood, geeft het leven zoveel meer betekenis. Het levensverhaal van een kind is, zo jong als ze zijn, voor goed veranderd, al zijn ze zich er nog niet van bewust.”

Maxime Tauran – Regeltante 2.0

Maxime Tauran (25) is bij het grotere publiek beter bekend als Regeltante 2.0. Ze helpt ondernemers met allerlei organisatorische taken rondom evenementen én zet haar eigen Breakfast Club stevig in de markt. Ze had niets met ontbijten, niets met vrouwen en niets met samenwerken, maar gooide juist die drie dingen bij elkaar en vond haar passie. Maak kennis met het verhaal van Regeltante 2.0. De vrouw die haar werk doet vanuit haar hart en altijd met een lach.

Als oudste van vier meiden groeide Maxime op in Roden. Nadat na haar geboorte nog twee zusjes op de wereld kwamen, volgde een pleegzusje die al 12 jaar deel uitmaakt van het gezin: “Ik ben heel trots dat mijn ouders zo’n intens groot hart hebben. Het blijft een gek gezicht, drie donkere meiden met een blank zusje. Mijn vader is Moluks van origine, mijn moeder is Nederlands. We waren er destijds niet mee bezig dat ons zusje anders is. Nu valt het me meer op dat karaktereigenschappen toch verschillen. De dingen die mijn biologische zusjes doen, kan ik vaak beter plaatsen. Ik zie verschillen, maar ze is mijn zusje, hoewel niet van vlees en bloed.” 

Haar vader kwam uit een groot gezin van tien kinderen. De families woonde altijd bij elkaar in de buurt en verhuisden achter elkaar aan. Vroeger speelde ze legertje met haar neefjes, hing ze met haar haren in het prikkeldraad en was one of the guys. Wanneer ze haar mooiste kleren mocht uitkiezen voor het kerstdiner, koos ze haar zwarte Nike trainingspak. Nu loopt Maxime rond in een roze broek, werkt ze in en voor het roze kantoor van Hashtag Workmode in Groningen en bestaat de huisstijl van haar bedrijf Regeltante 2.0, jawel uit de kleur roze. Wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd?

“Na de havo ging ik sportmanagement studeren. De boel regelen en organiseren in combinatie met sport, ik hoefde er niet lang over na te denken. Pas na mijn studie ben ik op mijzelf gaan wonen in Groningen, ik was net 21 jaar. Na allerlei verschillende baantjes belandde ik na mijn afstuderen als vertegenwoordiger bij Samsung in Groningen. Ik moest daar veel zelfstandig plannen en relaties onderhouden. Een mannenwereld waar ik op dat moment goed in paste.”

“Amsterdam was niet het Amsterdam wat ik er van had gedacht.”

Toch was de uitdaging haar niet groot genoeg. Maxime wilde naar de grote stad, Amsterdam. Toen daar iemand vertrok, greep ze haar kans: “Het was heel tof. Ik kwam op allemaal nieuwe plekken. Het hoofdkantoor verhuisde van Delft naar Amsterdam en daarmee zat ik met mijn functie ineens in de belangrijkste regio. Ik kreeg functieverhogingen, mocht leuke dingen doen maar op een gegeven moment was het klaar. Amsterdam was niet het Amsterdam wat ik er van had gedacht. Ik woonde ver van het centrum en voelde me heel alleen. Het was heavyen ik werd er niet gelukkig. Iedere kans die ik kreeg, pakte ik om terug te rijden naar Groningen.” 

Toen haar opa en vlak daarna haar beste vriend kwamen te overlijden, bleek dat de druppel:“Mijn opa was super belangrijk voor mij. Ik was heel bang om hem te verliezen, bang dat ik daaraan kapot zou gaan. Dat was gelukkig niet zo maar ik kreeg wel een spiegel voor mijn neus. Het was een grote stap om naar Amsterdam te gaan, en nu wilde ik terug. Het voelde als falen. Ik wilde dit toch zo graag? En nu kon ik het niet waarmaken. Tot mijn vriend zei, je maakt nu de keus om terug te gaan of je accepteert het zoals het is. Ik ben gaan solliciteren in Groningen en kreeg een functie als marketing coördinator. Ik had totaal geen ervaring maar het leek me super leuk. Ik werd aangenomen en daarmee was de keus gemaakt.”

“Ga het gewoon doen.”

Het ondernemen zat er al jong in. Ze had een blog met haar twee zusjes en een eigen blog, die goed gelezen werden. De vertaalslag naar een eigen bedrijf was desalniettemin een grote stap:“Ik ben steeds meer vrouwelijke ondernemers gaan volgen, waaronder Emilie Sobels van Hashtag Workmode. Uiteindelijk heb ik haar een keer gebeld en zo was het eerste contact gelegd. Ik heb meegedacht over haar boeklancering van Babe you got thisin Groningen en wilde iets doen met de ondernemers die zouden afkomen op de lancering. Ik besloot een ontbijtje te regelen zodat iedereen met elkaar kon kennismaken. Ik noemde het The Breakfast Club, gooide het online. Low keyen niet te duur. Binnen no-time kreeg ik berichtjes met de vraag hoe ze zich konden aanmelden! Na afloop van de eerste editie met 13 dames, kreeg ik de vraag: Wanneer is de volgende keer? En ik dacht, ja wanneer is eigenlijk de volgende keer? Ik had het bedacht als eenmalig ding maar voelde wel dat ik heel blij werd van het samenbrengen van deze vrouwen. Ik zou andere startende ondernemers wel willen meegeven: ga het gewoon doen. Het analyseren en uitdenken van het concept kwam pas na de eerste editie.”

Haar naam Regeltante 2.0 ontstond tijdens deze eerste Breakfast Club. “Een van de dames vroeg mij wat ik deed. Ik had niet echt een goed antwoord maar vertelde dat ik alles wel kan regelen. Je zegt het maar en ik regel het. Ik bel iedereen, ik ken iedereen of anders leer ik iedereen wel kennen. Eigenlijk ben ik een regeltante 2.0. Nou dan heb je toch je naam, zei ze! Daarna ging het snel. Ik kreeg de aanvragen vanuit Leeuwarden, Zwolle en Assen om ook daar Breakfast Clubs te organiseren. Voor 2019 staan er nu 16 gepland, verspreid over deze vier steden. Ook The Breakfast Club Meet-up komt weer terug. 

Het starten van haar eigen bedrijf heeft meer impact gemaakt dan ze had kunnen denken.“Vanaf het moment van de eerste Breakfast Club, ben ik gaan voelen wat geluk is. Ik vond het lange tijd moeilijk om blij te zijn en hecht veel waarde aan de mening van anderen. Nu had ik voor het eerst iets helemaal zelf en alleen gedaan, op de manier zoals ik dat wilde. De verwachtingen van anderen waren even niet belangrijk. Mijn eigen imperfecties omarmen was en is een uitdaging voor me. Als ik hoor dat collega ondernemers net een factuur van €2000 uitgeschreven hebben, kan me dat nog onzeker maken. Hoewel ik het nu beter relativeer, is het nooit goed genoeg. In mijn hoofd wéét ik wel dat het goed genoeg is, dat ik goed genoeg ben. Maar in mijn hart voel ik dat nog niet altijd. Het is en blijft een struggle.”

“Van mijn opa heb ik geleerd dat je nooit alleen bent.”

Maxime gaat veel op onderzoek uit omdat ze zich afvraagt waar dit vandaan komt. Ze schrijft veel om uit haar hoofd te komen, bijvoorbeeld door een dankbaarheidslijstje bij te houden. Ze leest boeken en laat zich begeleiden door een business coach:“In mijn jeugd kreeg ik alles wat ik wilde. Materialistisch werden we best verwend maar ondanks ik zo’n grote familie had, miste er altijd iets. Recent kwam er na een spirituele lezing iets nieuws op mijn pad. Mogelijk ben ik in de basis onderdeel van een tweeling geweest. Hiermee is een nieuwe ontdekkingsreis begonnen. Ik ben er over gaan lezen en er valt veel op zijn plek. Als Regeltante 2.0 voel ik mij een hele krachtige vrouw. Tegelijkertijd ben ik ook het gezicht van mensen die net als ik soms denken: ik weet het even niet. Het masker dat ik droeg, verdwijnt steeds meer. Ik heb geleerd dat je het niet allemaal alleen hoeft te doen. Je mag hulp vragen. Het is een mooi proces. Mijn opa vertelde altijd: je bent nooit alleen. En ook al voelde ik mij vaak alleen, ik ben het inderdaad nooit. Ik heb altijd mijn liefdevolle familie om mij heen en daarvoor ben ik ontzettend dankbaar.” 

“Alleen maar liefde, liefde, liefde…” Reefani Somati

“Ik heb niet zoveel te vertellen over mij!”, dat blijkt al snel te bescheiden. Reefani Somati, zijn leeftijd wil hij niet verklappen, is opgegroeid op een plantage op Commewijne, Suriname. Ondanks dat hij uit een arm gezin komt, was een ding altijd aanwezig in huis: liefde. Al ruim twintig jaar deelt hij deze liefde nu met voornamelijk Nederlandse studenten die in Suriname coschappen komen lopen. Reefani Somati beheert meerdere huizen in de stad en is geliefd onder de studenten. Vroeger was hij een mama’s kindje, nu is hij de ‘moeder’ voor vele honderden studenten die voor een korte of langere tijd bij hem verblijven. Elk afscheid is emotioneel en elke aankomst de basis voor een nieuwe, levenslange vriendschap. Want eenmaal je terug in Europa bent, zal Reefani – Fani of Faan voor intimi – je niet vergeten. Getuige de vele fotoboeken blijkt dat hij van alle studenten die de revue gepasseerd zijn nog precies weet hoe hij of zij heet, wanneer deze student in Suriname was, wat hij of zij hier heeft gedaan en vaak ook nog wat deze persoon nu, jaren later, doet.

Fani, graag ga ik met je terug naar je jonge jeugd. Hoe ben je opgegroeid?
“Ik ben opgegroeid op een plantage in een gezin van acht kinderen. Mijn moeder was al op 14 jarige leeftijd samen met mijn vader. Wanneer je je naam kunt schrijven en rijst kunt koken, ben je klaar om met een man samen te komen. Tien jaar lang lukte het mijn ouders niet om zwanger te raken. Een oude vrouw vroeg aan mijn moeder waarom ze geen kind gingen adopteren. Het bijgeloof zegt dat eenmaal je een kind hebt geadopteerd, je zelf ook zwanger zult raken. Toen het adoptiekind 4 jaar werd, raakte mijn moeder zwanger waarna nog zes kinderen geboren werden.”

Had je als kind de mogelijkheid om naar school te gaan?
“Ja, dat was geen grap. We moesten naar school. Op de plantage was geen toekomstperspectief voor de jeugd. Wanneer je op de plantage woont, hoef je geen geld te hebben om naar school te gaan. Het verschil met Paramaribo is onder andere dat je niet voor het onderdak hoeft te betalen en eten is anders dan in de stad. In Paramaribo moet je alles kopen maar daar plant je eigen groenten, kweek je eigen huiskippen en eenden. Wilde je vis, dan ging je even bij de zwamp achter het huis hengelen.”

Hielp je als kind mee of verzorgden je ouders het eten?
“Nee! Als kind ging je mee toch! En hengelen was mijn passie vroeger. Ik hield ervan om te gaan hengelen.”

“Ik maakte kennis met gekleurde hagel, chocoladehagelslag, broodje kaas, broodje pindakaas en zo”

Wat maakte dat zo leuk?
“Gewoon, er was niets anders dan zulk vertier op de plantage behalve spelletjes spelen met de buurkinderen. Het vissen was dus heel leuk!”

Na het volgen van basisonderwijs op de plantage was er de mogelijkheid om naar een van de drie kinderhuizen voor districtskinderen te gaan om verder onderwijs te volgen. De vader van Reefani kon dit nog betalen waardoor hij de kans kreeg om de MULO school te bezoeken.

 Verbleef je dan daar de hele week?
“De hele maand bedoel je! We mochten alleen aan het eind van de maand een weekend naar huis. Dat was een hele ommekeer in mijn leven. Thuis was je gewend om zes uur ’s morgens rijst te eten en had je geen corvee. Er was wel discipline maar niet zoals in het kinderhuis, waar je eerst ochtendcorvee had waarna je ging baden. Pas daarna gingen we ontbijten. In die periode heb ik voor het eerst in mijn leven kennisgemaakt met brood als ontbijt.”

En, hoe vond je dat?
“Ik heb in die vijf jaren nooit echt ontbeten, het ging niet door mijn keel. Ik maakte kennis met gekleurde hagel, chocoladehagelslag, broodje kaas, broodje pindakaas en zo. Maar dat zijn wij niet gewend te eten, ik kon me niet aanpassen. Het kinderhuis is tot stand gekomen door sponsoring vanuit het buitenland waarvandaan veel pakketten werden opgestuurd. Het heeft zeker drie maanden geduurd voordat ik mij thuis voelde in het kinderhuis maar ik zou deze vijf jaren nooit meer willen inruilen. Ik heb echt vrienden gehad en veel mensen met verschillende etniciteiten en culturen leren kennen.”

Reefani vertelt dat na de binnenlandse oorlog (vanaf 1986) het rustige kinderhuis van zijn eerste twee jaren veranderde. Er kwamen ineens kinderen vanuit het binnenland allemaal in het kinderhuis terecht. Voor even stond het kinderhuis ondersteboven. Kinderen met ander gedrag kwamen in het kinderhuis terecht. Het waren kinderen met geld, gewend aan een bepaalde manier van leven. Ze wilden graag de overmacht hebben maar de dominee was strak en stelde dat iedereen gelijk was. Niemand is meer of minder. Alles raakte even in de war maar zodra iedereen gewend was aan de regels, is het nóg leuker geworden. Ineens kwamen er ook marronkinderen in het huis: “Ik had nog nooit kroesharen gekamd!”

Had je als kind dromen over de toekomst?
Na lang nadenken: “Bij mij is er geen droom geweest. Mij is geleerd, dit is je leven. Je komt uit een arm gezin, er zijn geen dromen. We hadden wel televisie! Dus ik zag wel dingen maar alles wat ik daar zag was gewoon onmogelijk. Onze ouders hebben gezegd, dit is niet te halen. Dit is je leven, dit, nu, het plantageleven. Je gaat even naar school, je leert je eigen naam te schrijven and this is it.Verder is er geen geld. Maar, bij mij was het vanaf het begin anders en ik had inderdaad één droom.”

“Het magische wit dat de zusters droegen wanneer ze uit de boot stapten, was voor mij altijd een droom. Was ik maar een dokter”

Wat was die droom?
“Daarvoor moet ik weer terug naar mijn vader. Mijn vader was motorist voor het Ministerie van Volksgezondheid. Dat betekende dat hij doctoren van plantage naar plantage bracht met een boot. Behalve dat hij de dokter bracht, moest hij ook de poliklinieken van de plantages schoonmaken en gereedzetten voor het moment dat de dokter en de patiënten komen. In de schoolvakanties ging ik met hem mee. Ik mocht helpen tabletjes te tellen samen met de zusters en broeders. Daar begon mijn droom. Het magische wit dat de zusters droegen wanneer ze uit de boot stapten, was ik maar een dokter.”

In het kinderhuis had Reefani vier vrienden en met z’n vijven hebben ze gezegd: wij gaan dokter worden. Zijn vader zei toe dat als het zou lukken, hij zijn best zou doen het geld bij elkaar te krijgen en dus zocht Reefani naar mogelijkheden om intern bij een ziekenhuis te verblijven en een opleiding te volgen.

Hoe verliep het selectieproces voor toelating?
“Op die dag ging ik met mijn vier vrienden naar de stad voor de medische keuring. Toen ik aan de beurt was, ging alles goed op een ding na, ik heb een kromme rug. Achteraf bekeken was het een makkelijk excuus om mij af te wijzen omdat er in die tijd een overschot was aan verpleegkundigen. Gelukkig is het drie van de vijf gelukt om wel verpleegkundige te worden maar ik heb gehuild, mijn moeder heeft gehuild en mijn vader was stil. Toen heeft mijn vader gezegd, dit is het. Verder studeren kan niet. Zo is mijn droom uiteen gespat.”

Hoe heb je de draad weer opgepakt?
“Ik ben naar huis gegaan, naar de plantage en daar gebleven. Omdat er voor veel jongeren geen toekomst was weggelegd in de stad, was het op de plantage wel erg gezellig, ik voelde geen gemis. Jaarlijks kwamen er vrienden van mijn vader tijdens Id Ul Fitr, een nationale feestdag van de Javanen. Wanneer zij kwamen, wilden ze mij altijd naar Paramaribo brengen maar mijn vader zei dat ik gewoon thuis moest blijven zolang hij ons tenminste kon voeden met rijst. Toch bleven deze vrienden aandringen. Ik weet niet wat er met mijn vader is gebeurd maar ineens gaf hij toestemming om mij mee te nemen. Onder één voorwaarde: de dag dat ik mijn zoon belt om te zeggen dat hij niet goed behandeld wordt, hebben jij en ik een groot probleem. En zo begon het grote avontuur.”

Ik vraag hoe oud Reefani was toen hij naar de stad kwam en krijg als reactie “nu ga je me pakken”, gevolgd door een lange giechelbui. Maar ik geef niet op en wil tenminste weten of hij tiener of twintiger was.

“Twintiger haha…”

 Kwamen jullie als kind wel eens in de stad?
“Nee. Er was geen geld om naar de stad te gaan. Als we naar de stad gingen, was het altijd in de grote vakantie voor een weekend want mijn oudste zus woonde al in de stad. Zij had inmiddels een beter leven en was al getrouwd. De rest van de anderhalve maand vakantie waren we bij opa en oma, die op een andere plantage woonden. Zowel bij opa en oma van vaders kant als van moeders kant hebben we ook nooit, nooit, nooit anders gekend dan liefde, liefde, liefde.”

 Hoe uitte deze liefde zich naar jullie als kinderen?
“Er was altijd eten en mijn moeder leerde ons delen. Wanneer we ons bord met eten kregen, mochten we nooit klagen dat een ander meer had. Eten was en is heel belangrijk in de Surinaamse cultuur.”

“Op school had ik de geschiedenis van de slaventijd geleerd: blanke mensen, strenge mensen.”

Je kwam als twintiger naar de stad, waar ging je werken?
“Die man had al werk voor mij geregeld in een groot distributiecentrum en daar deed ik voornamelijk administratie maar dat was niets voor mij. Ik ben degene in huis die zoveel kletst en babbelt. Ik kwam in contact met de eigenaar van een grote supermarkt in de stad en daar ging ik werken als winkel chef. In de supermarkt raakte ik bevriend met een vrouw die mij op een dag vroeg of ik niet iets anders wilde doen. Ze zag dat ik goed met mensen om kan gaan en vroeg me om met blanken in een huis te wonen en voor ze te zorgen. Mijn ogen werden zó groot. Als een plantage jongen had ik nog nooit een blanke gezien of als gast in huis gehad. Op school had ik de geschiedenis van de slaventijd geleerd: blanke mensen, strenge mensen dus ik was geschrokken.”

Ben je op haar aanbod ingegaan?
“Nee, nee hoor! Ze ging me uitleggen dat het gewone mensen zijn en elke keer dat ze kwam, heeft ze me gevraagd. Ik heb haar letterlijk een jaar lang laten wachten totdat ik ja heb gezegd. En toen ben ik begonnen met het werk dat ik nu doe, op 2 juli 1996.”

“Op dat moment had ik had ik gehoopt dat de aarde zou splijten, dat ik erin zou vallen en dat de aarde weer dicht zou gaan”

Dat weet je nog heel precies!
“Ja heel precies. Dit is mijn leven, I love it. 2 juli 1996.”

Hoe was dat in het begin voor je?
“De huisbaas heeft gezegd dat de eerste gasten op 17 juli zouden komen. Op de dag dat de eerste gasten aan zouden komen, heb ik die mevrouw opgebeld en gevraagd met mij de gasten te ontvangen. Ze zei dat ze niet kon komen. Ze had de kinderen in huis en moest nog koken. Ik heb haar zo gesmeekt dat ze uiteindelijk is gekomen. Toen de gasten kwamen heeft zij zich voorgesteld en introduceerde mij met: “Dit is Reefani en hij denkt dat jullie hem gaan opeten”. Op dat moment had ik had ik gehoopt dat de aarde zou splijten, dat ik erin zou vallen en dat de aarde weer dicht zou gaan.”

Hoe ben je uiteindelijk vertrouwd geraakt met dit werk?
“Door de positief brutale vragen van Nederlanders ontstaat gemakkelijk een gesprek. Zonder dat ik het me bewust was, gaf ik antwoorden op vragen van de eerste gasten en besefte ik me langzaam dat de angst er niet meer was. Eenmaal ze naar hun werk zijn gegaan, zat ik alleen aan de keukentafel en besefte ik mij dat het toch best wel leuk was! Maar de halve droom moet nog komen.”

Vertel!
“Er is niets anders in het leven waar elk mens naar zoekt en dat is liefde. Niet alleen liefde van een geliefde maar liefde voor je medemens en voor je omgeving. Wanneer je dat ook terugkrijgt kun je een gelukkig en blij persoon zijn. Na een tijdje kwamen er twee studenten uit Delft in het huis en zij brachten zij vrienden mee naar huis die medische studenten bleken te zijn. Ze vroegen of ze hier konden komen wonen maar ik wist nog niets van het verhuren aan kamers voor studenten. Na die twee zijn er alleen maar medische studenten gekomen. Een droom is daarmee toch een beetje uitgekomen. Elke ochtend wanneer we gingen ontbijten, kwamen ze uit hun kamer in hun maagdelijke witte pak met een stethoscoop hangend in hun zak.  Ik ben zelf geen arts geworden maar door de studenten ben ik medische woorden gaan leren en snap ik zo’n beetje waarover ze praten.”

Had je geen last van jaloezie?
“Het was er. In het begin had ik dat wel. Maar ik realiseerde me dat ik daarvoor dingen moest gaan opgeven en ik begon toen net, zoals ik van huis uit had geleerd, om van mensen te houden als mijn passie te maken. Je bent nooit te oud om te studeren maar ik was bang dat ik dit leven zou moeten opgeven. De studenten zijn echt mijn alles. Mijn hobby, mijn passie. Zo erg dat ik ervoor mijn eigen leven opzij zet. Ik kan brieven laten zien van mensen die weg zijn gegaan waar ze ook zeggen dat ik wel van tijd tot tijd mijzelf op de eerste plaats moet zetten.”

Wat maakt het zo moeilijk voor je om jezelf af en toe op de eerste plek te zetten?
“Ik ben bang dat er iets gebeurt met een van de studenten, bang dat er iets fout gaat en dat ik de tijd dan niet terug kan keren. Ik wil er voor hun zijn vanaf dag één tot aan vertrek.”

 Maar het gaat verder dan dat. Reefani heeft mij fotoboeken laten zien van de studenten die in alle jaren de revue gepasseerd zijn. Hij weet nog alle namen, het zijn er honderden zo niet duizenden. Wanneer ze er waren, wat voor stage ze hebben gelopen en van velen ook wat ze tegenwoordig doen.

“Ik had nooit durven dromen dat ik dit werk zou mogen doen en met Nederlanders in een huis zou gaan wonen. Niemand wil het toegeven maar velen hier kijken nog steeds op naar de blanke huid. Familie en vrienden benijden mij. Ze vinden het geweldig om mij te zien met bakra’s (blanken). Ze beseffen niet eens dat jullie ook normale mensen zijn en ook hard werken om geld te verdienen. Ze zien jullie als blanke mensen en dat is geweldig vanuit het Surinaamse oogpunt.”

 Denk je dat het door de geschiedenis komt dat dit nu nog steeds zo is?
“Misschien wel ja. Er is een verschil tussen mensen die vanuit de plantage komen en in arme omstandigheden zijn opgegroeid en mensen die rijk zijn geboren en het normaal vinden om een Nederlander te zien. Voor mij en mijn familie is het werk wat ik nu doe echt geweldig en voor mij is het nog steeds een ervaring om elke dag in twee werelden te leven. Tijdens mijn werk doe en denk ik als een Surinamer. Zodra ik thuiskom voel ik me helemaal gelukkig en stort ik mij in jullie wereld. Ik leer heel veel van jullie en bracht dat ook over naar mijn ouders en familie. Voor hun ging op deze manier ook een hele wereld open.”

 “Ik ga met een gerust hart naar huis omdat ik weet dat mijn kind in goede handen is”

We kunnen wel stellen dat jij heel veel betekent voor de studenten die hier komen. Wat betekenen zij voor jou?
“Ik wil ieder individueel persoon bedanken voor de bijdrage die hij of zij heeft geleverd aan de ontwikkeling van mij als persoon tot wie ik nu ben, hoe ik gevormd ben.”

Hoe heeft het jou gevormd?
“Een ding was altijd belangrijk in mijn leven, al van huis uit. Als je elke dag blij bent en je voelt je tevreden, dan heb je niets meer nodig. De studenten maken mij zo gelukkig. Met al hun gekkigheden, de dingen die ze zeggen en die ze doen. Je zal nooit een Surinamer een themafeest zien geven. Wij willen er altijd goed uitzien maar jullie, je hebt zo’n lichaam maar maakt er geen probleem van om er een dag als een big uit te zien. Jullie kunnen het leven zo’n kleur geven. Het is een leuk cultuurverschil. Ik heb mijn familie aan de ene kant en ik heb de studenten aan de andere kant. Het is uit mijzelf dat ik ze mijn kinderen noem. Toen ik voor het eerst ouders heb ontmoet die hier vakantie hebben gevierd en bij mij zijn komen eten, zeiden ze na afloop: “Ik ga met een gerust hart naar huis omdat ik weet dat mijn kind in goede handen is”. Ik begreep het nog niet want ik was nog even jong als de studenten. Door de jaren heen heb ik meerdere ouders ontmoet en zij bleven dezelfde dingen zeggen. Ik ging me realiseren dat ik een verantwoordelijkheid op mij heb genomen. Ze hebben het mij niet gevraagd maar vanaf dat moment voelde ik mij verplicht en verantwoordelijk. Wanneer nieuwe studenten komen geef ik ze altijd een knuffel. Hiermee wil ik aangeven, je bent zo ver weg van familie en dierbaren maar deze Javaan is er voor jou.”

 “Ik heb geleerd om tevreden te zijn met je zelf, te houden van jezelf”

Het is mij meer dan duidelijk. Dit zijn geen woorden om geliefd gevonden te worden, dit is Reefani. Hij vertelt over de vele stapavondjes in onder andere Havana Lounge. Nu hij ouder wordt, gaat hij tot telleustelling van Surinaamse vrienden niet meer zo vaak mee. Ik vraag hem of hij vindt dat er zoiets bestaat als de schoonheid van het ouder worden.
“Wauw”. Na een lange pauze: “Uit ervaring heb ik geleerd dat ik niet moet vechten tegen de natuur. Laat de natuur zijn werk doen. Ik heb geleerd om tevreden te zijn met je zelf, te houden van jezelf. Als er mogelijkheden zijn, moet je wel ervoor gaan om uit je cirkel te komen. Mijn vader heeft me aangegeven, dit kan ik je bieden, meer niet. Op een gegeven moment kwam ik naar buiten, uit de cirkel van mijn vader. Ik ondersteun nu mijn neefjes en nichtjes zodat ze de kans krijgen om naar school te gaan en ook buiten die cirkel te kijken. Dat geeft voldoening. Tegelijkertijd zie ik een ontwikkeling bij de jeugd… We moesten eens durven vroeger! Ze spelen niet meer met knikkers maar hebben allemaal al vanaf de lagere school een smartphone. Ze gedragen zich anders dan wij vroeger.”

Omdat ik inmiddels een tijd bevriend ben met Reefani, weet ik dat hij zich vroeger ook ‘anders’ gevoeld moet hebben. Reefani valt op mannen. Iets wat in de Nederlandse cultuur langzamerhand geaccepteerd wordt. Hoe is dat in Suriname? Ik ben benieuwd of hij in het liefdevolle gezin hierover openlijk kon praten.

“Nee, ik heb mijzelf moeten ontdekken. Moge mijn moeder en mijn vader in vrede rusten. Ik heb nooit van mijn ouders, zussen en broers iets van tegenwerking gehad.”

Wisten ze het wel?
“Niemand praat er over, niemand zegt wat. Ik heb me tegenover mijn moeder en vader nooit anders gedragen dan ik nu doe. Als ik moest giechelen, deed ik dat even luid als ik nu met jou giechel. Door mijn werk keken ze wel tegen mij op. De laatste jaren van mijn moeder en later mijn vader, gaven ze mij het gevoel alsof de koning thuis komt. Ik wilde dat niet, ik ben gewoon dezelfde Fani.”

Heb je het idee dat er nog een taboe op homoseksualiteit rust in Suriname?
“Nee, nee er is geen taboe. Ik weet niet of het mij aangeleerd is, maar ik ben altijd deze persoon geweest. Ik ben altijd een open boek. Ik heb nooit gedaan alsof in mijn gedrag. Nooit. Ook in ander werk heb ik mij nooit anders gedragen, dit ben ik.”

Wordt er door mensen wel eens naar gevraagd?
“Door mijn gedrag heb ik mensen nooit de kans gegeven om zich af te vragen of ik gay ben. Ze moeten gewoon direct zien van: duidelijk. Als ik je dan een paar minuten heb gezien en gesproken, dan laat ik altijd het oordeel aan jou over of je morgen nog met mij wil praten of niet. Ik mag niet liegen, soms schreeuwen mensen iets vies op straat, maar echte problemen zoals mensen hier kennen, heb ik niet gehad. Een van mijn vrienden heeft gezegd: “Jij bent degene die mij een andere kijk heeft gegeven op mensen zoals jij”. Je hoeft geen honderd vrienden te hebben om je te maken tot de persoon die je wil zijn, om van gehouden te worden. Aan één vriend of vriendin heb je genoeg.”

“Een van de grootste levenslessen: Liefde, liefde, liefde. Voor jezelf, voor je medemens,voor je omgeving. Voor alles dat ademt”

Als er een belangrijke levensles is, die je andere mensen zou willen meegeven, wat zou dat zijn?
“Ik heb altijd geleerd dat je van jezelf moet houden en respect moet hebben voor anderen. Als iets voor jezelf niet goed is, ga je een ander dat ook niet aan doen. Tenslotte ben jij degene die je degene die beslissingen moet nemen want je doet het niet voor iemand anders. Jij bent degene die gelukkig moet zijn in wie en hoe je wilt zijn en bent. Een van de grootste levenslessen: Liefde, liefde, liefde. Liefde, liefde en nog eens liefde. Voor jezelf, voor je medemens, voor je omgeving. Voor alles dat ademt.”

Gaat jou grote liefde nog voorbij komen?
“Er zijn momenten geweest dat ik het echt graag wilde om samen te zijn met iemand. Mijn grootste angst was altijd, dat ik door mijn gevoelens de studenten kon verliezen. Mijn hobby en passie. En zoals je weet, als je voor iets gaat in een bepaalde fase in je leven, moet je offers brengen. Ik was bang om dit leven op te moeten geven. Misschien kan iemand mij nog weer dat gevoel geven en laten smelten, maar zo is het goed. Als dingen gebeuren, dan gebeuren ze. Alles komt vandaan bij de opvoeding die ik heb gehad. De opvoeding heeft geholpen om mij te vormen tot de persoon die ik ben. Verder ligt het aan jou als kind hoe je met die opvoeding omgaat.”

Reefani klinkt happy en tevreden. Fani, zijn er nog dingen waar je van droomt?

“Neeboi. Als er mogelijkheden zijn voor iets wat je wilt bereiken en je bent een persoon die altijd voor 1000 procent ergens voor gaat, dan weet je dat het haalbaar is. Maar om te dromen en dat het dan uiteindelijk niet lukt, geeft verdriet. Iedereen heeft gevoelens van misgunnen en jaloezie, elk mens heeft dat. Het is maar hoe je daarmee omgaat als mens.”

“Je gaat brokken moeten maken om het leven te leren kennen”

Dus we houden het bij alle liefde?
“Alle liefde ja”, gevolgd door een lach. “En dat is geen leugen. Soms wenste ik dat ik je aan mijn ouders kon voorstellen. Ik zou ze niet willen wisselen, met geen enkele andere ouder. Als ik iets kon zeggen wat misschien…”

We pauzeren even omdat het verdriet en gemis naar boven komt.

“Ik geloof ik een God, maar als je gelooft in een God, zeg je eigenlijk Zijn wil zal altijd geschieden. Soms voel ik me boos en vraag ik me af waarom ik mijn moeder zo vroeg heb moeten verliezen. Waarom Hij haar zo vroeg heeft teruggenomen. 29 november 1998. Lotti, als je mijn moeder echt zou hebben ontmoet. Mijn gunst, wat een eenvoudig mens en wat een mooie vrouw. Mooi van binnen. En alles van haar was giechelen. Ik heb dat van haar, dit ben ik.”

We sluiten af met een brasa. Faan breekt. Tussen de tranen door: “Alleen maar liefde, alleen maar liefde. Niets meer, alleen maar liefde. Ik kan best begrijpen dat het voor mensen echt annoyinglijkt maar dit ben ik. Alles wat ik doe, is omdat ik echt alleen maar het beste wil voor jullie. Je gaat brokken moeten maken om het leven te leren kennen.”

 

Dorien den Otter

In april 2018 reist Dorien den Otter (24) met een studiegenootje af naar het afgelegen dorpje Mezovari in West-Oekraïne. Vanuit hun studie logopedie aan de Hanzehogeschool, gaan ze naar het opvangcentrum Nefelejcs. Een centrum voor gehandicapte jongeren. Vorig jaar had ze Kiev bezocht en de rijke kant van het land ervaren. Nu werd het een heel andere ervaring.

Mezovari ligt behoorlijk afgelegen! Hoe kwamen jullie daar terecht?
“Wij zijn gevlogen van Eindhoven naar Debrecen, de tweede grootste stad in Hongarije. Onze begeleider had gezegd dat daar een taxi op ons stond te wachten die ons naar Oekraïne zou brengen. We wisten niet hoe lang het duurde om op het centrum Nefelejcs te komen. Er zou een blauwe auto op ons staan te wachten maar dat bleek een groene. Hemelsbreed was het niet zo ver alleen de wegen zijn slecht en we moesten de grens over, een grote uitdaging. Er kwam een agent in de auto die overal ging kloppen om te kijken of er niet iets meegesmokkeld werd via dubbele lagen in bijvoorbeeld het plafond. Er cirkelden allemaal honden rondom de auto. Ja, de grens oversteken daar, kost veel tijd.”

Wat overviel je het meest die eerste uren?
“Vooral de wegen, het duurde for ever. We kwamen de hele tijd achter tractoren en zaten zelf ook in een heel oud autootje, met een man die je meeneemt en die geen Engels spreekt. In Hongarije waren de wegen nog goed geregeld. Zodra we de grens over waren, wat dus wel drie, vier uur duurde, was er geen verlichting langs de weg. Er zaten allemaal diepe gaten in de weg. We konden niet harder van vijf of tien kilometer per uur. Ik was erop voorbereid en had ook wel eerder armoede gezien in wijken in Zuid-Afrika en toch overviel het me wel heel erg. Ik had het zelf niet verwacht.”

Hoe werden jullie ontvangen op het centrum Nefelejcs?
“Het centrum is opgericht door een Nederlands stel en was voorheen een oud kerkje dat bijna in elkaar stortte. Margaretha is ergotherapeut en ze doet dit samen met haar man Stefan volledig vrijwillig. Ze liet ons zien waar we sliepen en dat viel heel erg mee. Ik had verwacht dat het veel erger was. Totdat ik onder de douche kwam, het water was vies. Heel roestig. Maar ja, wat wil je. Het enige geld dat ze vanuit het land zelf ontvangen, zijn giften van de kerk. De overheid heeft er geen potjes voor. Ze krijgen giften uit Nederland en Hongarije en daar doen ze prachtige dingen mee. Ze hebben dieren zodat de kinderen daarmee kennis kunnen maken. Er is een speeltuin, een grote keuken waar de oudere kinderen kunnen leren koken. Ze proberen een zo goed mogelijke omgeving te creëren voor deze gehandicapte kinderen, om zich toch te kunnen ontwikkelen.”

Waarom zijn Margaretha en Stefan dit begonnen?
“Ze hebben een heel groot hart en voelen de drang om in elk geval een paar jaar van hun leven te investeren in vrijwilligerswerk. Ze hebben zichzelf helemaal opzijgezet maar zijn niet van plan om daar voor altijd te blijven. Ze proberen een zo stabiel mogelijke basis neer te zetten en hebben mensen om zich heen verzameld die ze opleiden. Hun doel is dat ze het straks over kunnen dragen. Ze hebben nu zelf een drie maand oude baby en het leven met een baby’tje daar is best wel pittig.”

“Wie steekt er nu tijd en moeite in gehandicapten.”

Wie werken er allemaal op het centrum?
“Naast Margaretha en Stefan zijn er nu vijf medewerkers die op de groepen werken.”

Allemaal vrijwilligers?
“Nee, ze krijgen wel betaald vanuit die giften. Ze zijn niet geschoold en worden ter plekke opgeleid. In het dorp worden ze raar aangekeken dat ze dit werk doen want wie steekt er nu tijd en moeite in gehandicapten.”

Waar komt die houding vandaan denk je?
“Het is onwetendheid. Het is echt nog een taboe. Mensen komen er niet voor uit en schamen zich ervoor als hun kind een handicap heeft. Artsen raden mensen aan hun gehandicapte kind naar een weeshuis te brengen. Er is geen verdere zorg. Toen wij het ziekenhuis bezochten, lagen er zes kinderen op een speciale afdeling voor kinderen die te vondeling zijn gelegd. Soms liggen er meer dan 20 kinderen. Het merendeel heeft een handicap. Die hele afdeling wordt gerund door twee vrijwilligers, vijf dagen in de week. In het weekend en in de nachten is er geen begeleiding bij die baby’s.”

“Artsen raden mensen aan hun gehandicapte kind naar een weeshuis te brengen.”

Er kan van alles gebeuren.
“Twintig baby’s. Ze zijn te klein om met elkaar te spelen. Er wordt niet tegen ze gepraat, er wordt niet met ze geknuffeld. Ze leren geen contact maken, geen taal, geen bewegingen. ’s Nachts komt er niemand bij de kinderen. In het weekend loopt de schoonmaakster af en toe langs. Die legt een fles neer, een beetje tegen een kussen zodat het kind daaraan kan zuigen. Maar als het kussen of de fles wegvalt, krijgt het kind dus niets.”

Zijn ze daar achtergelaten?
“Ja, sommige moeders hebben wel hun bevalling gehad in het ziekenhuis en zijn daarna vertrokken zonder kind. Omdat ze geen geld hebben, en vaak ook als het kindje iets mankeert. In Oekraïne zijn 138.000 gehandicapte kinderen en 86.000 kinderen die zonder ouders leven. 64.000 kinderen daarvan hebben een handicap. Dus zo’n 80% van de kinderen die in een weeshuis zit, is gehandicapt. Die zijn daar echt gedumpt. Vlak voor wij aankwamen was er een kindje over de schutting gegooid en had hij zijn heupje uit de kom.”

Waarom wilde je daar naartoe?
“Ik was in de zomer van 2017 in Kiev geweest en de hele cultuur verbaasde me. Ik vond Kiev een hele mooie stad. Iedereen danste op straat. De mensen zijn kwetsbaar en puur, er zijn nog weinig invloeden van buitenaf. Ze moeten voor zichzelf opkomen, als volk. Ze kunnen niet teren op een regering of overheid. Als er in Nederland iets met mij gebeurt en er staat een politieagent in de buurt, dan is dat de man die ik vertrouw op dat moment. In Oekraïne kun je daar niet op rekenen. Het is allemaal zo corrupt. Wat wij zien als geschiedenis, is daar nog aan de hand. Vier jaar geleden was er nog een revolutie in Oekraïne. In de stad hoor je van alles over belastinggeld wat de president heeft gebruikt om een enorm resort van te bouwen. Daar weten ze in het dorpje waar ik was, niets vanaf. Ik vertelde het aan Margaretha en ze zei, vertel het maar niet aan de medewerkers.”

“Een van de kinderen zat zeven jaar opgesloten in een kamer.”

Je studeert logopedie. Waarom wilde je een project met gehandicapten doen?
“Ik vind de doelgroep heel puur. De gehandicapte kinderen zijn zo kwetsbaar maar ook zo liefdevol. Als ik een klein steentje kan bijdragen, doe ik dat graag. Ze zijn zo eerlijk, er zit geen voorbedachte rade. Ze zeggen wat ze op dat moment observeren en dat kan ik wel waarderen. Dat centrum is de enige kans voor deze kinderen. Stefan is vroeger eerst al die kinderen op gaan halen in de omgeving, elke ochtend heel vroeg van huis. In totaal gaan er nu 40 kinderen naar het centrum. Ze hebben allerlei verschillende aandoeningen. Lichamelijk, geestelijk of allebei. Ze hebben allemaal iets waardoor ze niet in het normale onderwijs terecht kunnen. Er zat 1 meisje in het centrum die alleen problemen had met haar benen en daardoor in een rolstoel zat. Verder was er niets met haar aan de hand maar voor zo’n meisje is geen plek in het normale onderwijs. Er is ook een groep met zwaardere problematiek. Daar zit een kindje dat zeven jaar alleen maar in zijn kamertje heeft gelegen. Doordat er niet met hem is gecommuniceerd, heeft hij zich nooit kunnen ontwikkelen op het gebied van taal en hij is helemaal vergroeid na zeven jaar lang in een bed te hebben gelegen. Bang voor alles en iedereen.”

Wat kon jij daar brengen?
“We waren er niet per se om direct contact te hebben met de kinderen maar voor scholing van de medewerkers. Ze werken daar vanuit het hart. Er zijn geen methodes beschikbaar, er is geen plan. Er wordt niets geregistreerd en ze hoeven zich aan niemand te verantwoorden. Het is vissen voor ze wat werkt voor welk kind. Ze hadden heel erg behoefte aan een instrument dat het communicatieniveau van een kind kan bepalen. Ze dachten het nu wel te kunnen peilen en zich daarop aan te passen maar waren daar niet zeker van. We hebben daar de NNST (Nederlandstalige Nonspeech Test) geïntroduceerd bij de medewerkers. Op die manier kunnen zij de non-verbale taal van een kind meten. We hebben helemaal uitgelegd hoe deze test werkt. Op die manier kunnen de medewerkers zien op welke vlakken ze goed gaan, waar ze achterblijven en hoe ze dit kunnen verbeteren.”

“Voor de medewerkers een bevestiging dat wat ze doen, de moeite waard is.”

Wat deed dat met de medewerkers?
“Dat was natuurlijk de vraag. We wisten vooraf niet hoe ze erop zouden reageren maar ze waren super blij. Ze gingen allemaal meeschrijven en we moesten de presentatie aan ze doorsturen. We hadden het deel van de test waar we mee gingen werken van tevoren vertaald en ze waren super enthousiast. Ze kunnen nu hun eigen handelen meten. Ze denken en hopen steeds dat ze het goed doen en daarvoor doen ze hun uiterste best maar ze weten niet wat werkt. Nu kunnen ze iedere paar maanden testen of er verbetering is. Voor de medewerkers is dat een bevestiging dat wat ze doen, de moeite waard is. Dat is heel belangrijk.
In Nederland wordt bij onze kinderen veel aandacht geschonken aan het presteren. Dat is daar allemaal veel minder. De medewerkers werken met zoveel geduld, zoveel liefde en aandacht. Ik ervaarde dat ze het sowieso goed deden. Ik vond mensen in Oost-Europa er altijd heel streng uit zien. Ik zei tegen Margaretha, het lijkt wel alsof je de vijf vrouwen met de liefste gezichten hebt uitgekozen om in het centrum te werken. Hopelijk kan de test nu bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de kinderen.”

Zijn er ook kinderen die weer uitstromen?
“Nee. Eigenlijk gooi je ze dan weer in het diepe. Ik denk niet dat ze mensen nog weer laten uitstromen. Het is niet zo dat het heel hard volstroomt op dit moment, gelukkig. Er zaten geen jongeren tussen met zo’n groei dat ze weer terug de maatschappij in konden. In elk geval niet in de Oekraïense maatschappij. Er zitten veel kinderen in het centrum die prima zouden kunnen werken in een concept als Brownies & Downies. Veel hebben ongeveer dat niveau, maar dat zit er dus in Oekraïne niet in voor deze jongeren.

“Ik mag wel wat dankbaarder zijn. Mijn leven zit vol met kansen.”

Met de tienergroep gingen we naar een bal, wat in de stad werd georganiseerd door een groep studenten van de universiteit. We kwamen aan in de stad, stapten uit en werden door iedereen minachtend aan gekeken. Het was heel moeilijk de universiteit goed in te komen door de vele trappen maar uiteindelijk zaten we met z’n allen aan een lange tafel te knutselen. De knutselwerkjes werden daarna verkocht en dat geld ging naar het centrum. De mensen die naar het bal kwamen, moesten entree betalen en ook dat geld werd gedoneerd. Het was een super lief initiatief. Totdat er op een gegeven moment een hele grote groep mensen binnenkwam, die gingen zitten en kijken hoe wij met de jongeren aan het knutselen waren. Na een kwartiertje gingen ze weer weg. Ik dacht echt, het is maar goed dat de kinderen niet allemaal door hebben wat er gebeurt.”

Wat merk je nu dat het met jou doet, een paar weken nadat je bent teruggekomen?
“Ik was sowieso erg blij dat ik weer terug was. Ik heb me daar helemaal veilig gevoeld maar ergens was het ook een opluchting om weer terug te kunnen. Het heeft me wel heel erg leren relativeren. De kleinste dingen. Ik stap op de fiets, want ik heb een fiets, de fiets werkt en er is een weg waar ik op kan fietsen. En toch, ik had het niet willen missen. Ondanks ik daar heus wel geklaagd heb. Het is iets wat ik meeneem voor de rest van mijn leven.”

Wat neem je er vooral uit mee?
“Waardering. Als je daar geboren wordt, gehandicapt of niet, is je lot eigenlijk al bepaald. Er is weinig geld, je hebt niets te kiezen. Ik mag wel wat dankbaarder zijn voor alles wat we hier hebben. Mijn leven zit vol met kansen en ik kan zelf keuzes maken. Dat is daar gewoon niet.”